De Ottogracht en Lotharingen

Yeb Boersma, 11 mei 2024

Inleiding

Jan van Thielrode, een monnik van de Sint-Baafsabdij, tekende in de 13e eeuw in een kroniek van zijn abdij de oerversie op van het verhaal van Ottogracht. Van Thielrode vertelt hierin dat keizer Otto I uit het geslacht van de Liudolfingen, die zich vanaf het begin van zijn regeerperiode positioneerde als de opvolger van Karel de Grote wiens directe lijn van opvolgers in Oost-Francia in 911 was uitgestorven, in 941 de westelijke grens van zijn rijk met het koninkrijk Francia vanaf de St. Jacobsbrug te Gent naar de zee bepaalde langs de Ottogracht:

Otto, heerser over de Scaldi, noemde de gracht die liep vanaf de St. Jacobsbrug naar de zee, en waarlangs hij de grens bepaalde tussen het koninkrijk van de Franken en het rijk van het Oosten, naar zijn naam Ottingam.[1]

In de hierop volgende eeuwen werd het verhaal van de Ottogracht overgenomen door zowat alle Vlaamse historieschrijvers die deze periode behandelen. In zijn artikel de ‘De mythische keizerluke Ottogracht en de zeer reële Burggrafeluke Schipgracht’[2] stelt Luc Devrieze de vraag aan de orde of deze gracht werkelijk heeft bestaan? Immers:

De werkelijke historische grens kwam tot stand tijdens een schamierperiode in onze politieke geschiedenis: door het verdrag van Verdun (843) werden onze streken verdeeld over het westelijke Frankenrijk, het West-Francia van Karel de Kale en het middenrijk van Lotharius. Het eerste kennen we nog als Frankrijk of France, maar het tweede was geen lang leven beschoren. Het functioneerde eerst nog als koninkrijk Lotharingen tot het in 925 in het rijk van het oosten of het Duitse rijk opgenomen werd. In de eerste decennia na Verdun bleken de grenzen nog onstabiel, maar in 880 (verdrag van Ribemont) werd, zo luidt het, de Schelde in onze streken als oostelijke grens van West-Francia definitief vastgelegd. Gent lag daardoor op de grens, gedurende korte tijd tussen Frankrijk en Lotharingen en daarna tussen Frankrijk en Duitsland…. De Gentse Ottograchttraditie was dus in tegenspraak met wat de West-Europese geschiedenis ons voorhoudt. De vraag is nu hoe dat verhaal kon ontstaan. Zou het mogelijk geweest zijn dat die nederige stadsgracht te Gent de rol van grens overnam van de Schelde?

Opgemerkt moet worden dat in bovenstaande en volgende aangehaalde tekst van Devrieze sprake is van het Duitse Rijk waar in de oorspronkelijke tekst(en) dit rijk het imperii orientalium het ‘Oostelijke Rijk’, wordt genoemd. Dit is hetzelfde rijk dat ook Francorum orientalium ‘Oost-Francia’ werd genoemd en waarover na dood van Lodewijk de Vrome in 840 diens zoon Lodewijk regeerde.

  
  
Otto I Theutonicorum rex ("Otto de Eerste, koning van de Duitsers")

Dat het inmiddels tot een hertogdom verworden Lotharingen dat eerder in het Midden-Francia lag in 925 in het rijk van het Oost-Francia werd opgenomen wordt in Continuator Regionis Trevirensis als volgt omschreven:

A.d.i. 925

Nadat koning Hendrik (de Vogelaar, koning van Oost-Francia) Lotharingen in zijn macht had gevestigd, stierf in gevangenschap koning Karel (de Eenvoudige, koning van West-Francia), van wie wordt gezegd dat hij niet erg intelligent was en ongeschikt om de belangen van het koninkrijk te dienen.[3]

Devrieze gaat verder:

Hoe zonderling of zelfs karikaturaal dat lijkt, het verhaal van de Ottogracht was niet zomaar een simpel verzinsel van een onwetende middeleeuwse monnik, zoals Fris en anderen stelden. Twijfel over het waarheidsgehalte van het verhaal met de Ottogracht als scheidingslijn kwam er pas tegen het einde van de 19de eeuw, maar ook later nog bleven sommigen er hardnekkig in geloven. Uiteindelijk heeft de moderne geschiedschrijving brandhout gemaakt van die kroniek van Jan van Thielrode. Het zou een van de meest miserabele compilaties van de middeleeuwse historiografie zijn. Maar al is het een bizar werkstuk, een mengeling van lokale klooster- en wereldgeschiedenis waarin feit en fictie door elkaar lopen, het is ook een boeiend onderzoeksobject en de smalende toon waarmee het dikwijls afgedaan wordt is lang niet altijd terecht…..Zeker is dat de grenssituatie in onze streken heel wat gecompliceerder was dan hierboven geschetst. Misschien beginnen we best met iets wat helemaal niet omstreden is, maar weinig bekend. Het betreft het feit dat er in het noorden van de provincie, nauwelijks iets meer dan een tiental km. buiten de oude Gentse stadspoorten, nog een ander niet onbelangrijk deel van dat Duitse rijk lag. Het werd de Vier Ambachten genoemd. Die ‘Ambachten’ waren van west naar oost: het Ambacht van Boekhoute, van Assenede, van Axel en van Hulst…. Hoe het ook zij, van essentieel belang voor ons verhaal is dat in de Sint-Baafsabdij vermoedelijk al vanaf de tijd van de verdeling de opinie leefde dat de abdij niet tot het Franse rijk behoorde. Een mooie illustratie daarvan vormen de succesvolle démarches die gravin Johanna van Konstantinopel in 1236 ondernam om de abdij van Sint-Baafs buiten een kerkelijke ban te houden die uitsluitend de Franse gebieden trof. Zij stelde zwart op wit dat de abdij in het Duitse rijk gelegen was. We zien hier dat die traditie toen bestond in de abdij en ook daarbuiten aanvaard werd. Wat zou er aan de basis liggen van deze voorstelling van zaken?.....het is uitgesloten dat dit op bedrog zou kunnen steunen. Daarvoor kon de abdij zich immers beroepen op een belangrijk charter uit 1193 waarbij keizer Hendrik VI (van 1056-1105 keizer van het Oostelijke Rijk) de instelling onder zijn speciale bescherming stelde. Daarin vermeldde de keizer uitdrukkelijk dat de abdij van de eerbiedwaardige belijder Bavo in zijn rijk lag. Ruim een halve eeuw later lieten de Bavelingen de paus dat nog eens bevestigen….Hoe valt dit te rijmen met de Schelde als grens?

In zijn artikel ‘Ottogracht’[4] komt Joep Rozemeyer (1935-2021) na bestudering van de onderliggende bodemstructuur van Noord-Vlaanderen en Zeeland tot de conclusie:

In het laagliggende gebied noordelijk van Gent zijn zeker aanwijzingen te vinden voor de mogelijkheid van een vaargeul tussen 600 en 1000.

Rozemeyer bestudeerde ook kronieken en kaarten:

De hypothese van een vroeger vaarwater tussen Gent en Westerschelde lijkt gesteund te worden door mededelingen over de legendarische Ottogracht. Behalve Johan van Tielrode maken verschillende kroniekschrijvers gewag van deze Ottogracht. In 1294 wordt beschreven dat deze gracht zou lopen vanaf de St.Jacobskerk in het centrum van Gent naar zee. Nog heden ten dage loopt in Gent vanaf de St.Jacobskerk de straat "Ottogracht…. Uit de tijd van Guide de Dampierre (1288) is een kaart van Noord-Vlaanderen bewaard gebleven, die wel niet echt betrouwbaar wordt geacht, maar waarbij toch aan de erop vermelde gegevens niet voorbij gegaan mag worden. De kaart toont de monding van de Westerschelde, waarin dan nog vele eilanden liggen. Vanuit de Westerschelde loopt o.a. een vaargeul naar Biervliet, en dan zuidwaarts langs De Piet, Bochaute, Assenede, Selsaete en Cluyse naar Gent. Bij Biervliet staat als naam in dit vaarwater "Ottogracht" geschreven.

Kristian Helmholt brengt in zijn artikel ‘De heilige Siamese tweeling Lebuinus en Livinius van Saksen’[5] ook de Ottogracht ter sprake:

Verder zou Liutgard, dochter van de Vlaamse graaf Arnulf I van Vlaanderen in 955 getrouwd geweest zijn met een Wichman. Die dan weer als burggraaf door Otto I op een kasteel bij de legendarische Ottogracht zou zijn geplaatst.

P.W. Stuij komt in zijn artikel ‘Is de Ottogracht eindelijk gevonden?’[6] tot de volgende conclusie:

In dit artikel werd de vraag onderzocht of de vermelding op de Dampierrekaart een reële basis had. Aangetoond werd dat uit bodemonderzoek blijkt dat er inderdaad een gracht is geweest en dat keizer Otto II een goed argument had voor dit graafwerk. Ook werd aangetoond waarom dit project in zijn tijd moest mislukken. In later tijd was het gevolg van het niet meer goed weten van de echte toedracht de foutieve veronderstelling op de Dampierrekaart. De Ottogracht heeft dus zeker bestaan, hoewel deze conclusie nog niet kon worden bevestigd door verder archeologisch onderzoek.

Lotharingen

In bovenstaande aangehaalde teksten wordt door de genoemde schrijvers geredeneerd vanuit de traditionele uitleg van de verdeling(en) van het Karolingische Rijk. De vraag is of die uitleg wel in overeenstemming is met de werkelijkheid.

In de Annales Bertiniani Auctore Prudentio lezen we welke gebieden Lotharius kreeg bij de verdeling van het Karolingische Rijk in 837:

  • per cursum Mosa usque in mare ducatem Ribuariorum
  • regnum Saxoniae cum marchis suis
  • ducatum Fresia usque Mosam
  • comitatum Hamarlant
  • comitatum Batavorum
  • comitatum Testrabenticum
  • dorestado

In de traditionele uitleg liggen deze gebieden los van elkaar verspreid over Noord-Nederland, Noord-Duitsland en Noord-Frankrijk verspreid. Ribuariorum bijvoorbeeld wordt in de traditie ter hoogte van Keulen westelijk van de Rijn gesitueerd en Frisia in het noorden van Nederland.

Uit de volgende tekst in de Annales Bertiniani waarin sprake is van het land van de Belga ‘het land van de Belgen’ blijkt echter dat deze gebieden aan elkaar grensden:

Hij gaf aan zijn zoon Karel het grootste deel van Belgarum, te weten geheel Frisia vanaf de zee via de grenzen van Saxonia tot aan de grenzen van Ribuarium, en binnen de grenzen van Ribuarium de graafschappen Moilla, Ettra, Hammolant en Mosagoa….[7]

Verder wordt traditioneel gesteld dat de Schelde in onze streken in 880 (het verdrag van Ribemont) als oostelijke grens van West-Francia definitief werd vastgelegd.

Nog een andere tekst:

898: "Koning Zwentibold bevestigt op verzoek van Odilbald, bisschop van Vetus Trajectum, de immuniteit van de kerk, eerder verleend door Lodewijk de Vrome, zijn vader Karel de Grote en diens grootvader Pepijn, ook voor de oevers van Dorestad. De bisschop verzoekt dat deze wet die voor Dorestad geldt, ook toegekend wordt voor andere plaatsen in het bisdom, namelijk te Daventre en te Tiale. De koning heeft het toegekend aan iedereen die woont in Dorestad binnen de parochie van St.Martin of die er per boot aankomen, alsook voor Daventre en Tiale en alle overige plaatsen en bezittingen van het bisdom."[8]

Dorestad, Daventre en Tiale lagen volgens bovenstaande tekst in 898 binnen het gezagsgebied van Koning Zwentibold. Zwentibold was koning van West-Francia en Lotharingen dat in 880 na het verdrag van Ribodi-montem geheel binnen West-Francia, waarvan de oostelijke grens door de Schelde werd gevormd, was komen te liggen.

Bijgevolg lagen Dorestad, Daventre en Tiale ten westen van de Schelde en aldus in het Vlaamse kustgebied.

Hoe zat dat dan met deze streken en hun samenhang met de Schelde?

Frisia en de comitatum Batavorum laten we even buiten beschouwing. Binnen SEMafoor zijn er al vele twijfels geuit over de ligging en omvang van deze locaties. Ik richt me op de andere locaties.

Regnum Saxoniae cum marchis suis?

In de Vita s. Fursei wordt verteld dat Sint Fursei van Hibernia (Ierland) over Engeland naar de kust van Saxonia voer, waar hij eervol ontvangen werd door Sigebert III (ca. 630 - 656) koning van de Franken van 633 tot 656 in het deelgebied Austrasië[9] waarmee volgens een aantekening in het oude handschrift van de Pseudo-Frédégaire het tussen de Seine en de Oise en de Oceaan gelegen gebied werd bedoeld.[10] Sint Fursei arriveerde in 648 in Francia en overleed daar in 950. Hij trok in die twee jaar door Ponthieu, Corbie, Péronne, Lagny, Celles bij Parijs, langs de Marne en door Picardië. Fursei is nooit in het Noord-Duitsland, waar volgens de traditie de kust van Saxonia lag, geweest. Bijgevolg is hij daar ook niet vanuit Britannia op de kust van Saxonia zijn geland. Hij kan wel vanuit Britannia naar de in Frankrijk gelegen kust van Saxonia, dat naar het zuidwesten toe op Frisia/Vlaanderen aansloot, zijn gevaren. Deze situering van Saxonia wordt eveneens bevestigd door Hieronymus (ca. 347 - 420) die stelde, waaruit volgt dat met Germania een in Frankrijk gelegen gebied werd bedoeld, dat het gebied dat door de historici Germania werd genoemd, in zijn tijd Francia werd genoemd:

Onder de Saksen inderdaad, en de Alemannen, is hun natie niet zo groot als zij machtig is; onder de historici wordt het Germania genoemd, nu Francia[11]

Comitatum Hamarlant?

Hamaland/Hamarlant (ca. 890-ca. 952), was in 839 aan Lotharius toegevallen. Graaf Meginhard IV nam honderd jaar later (in 938-939) deel aan een opstand tegen keizer Otto I. De opstand stond onder leiding van Otto’s broer Hendrik, Everhard III van Franken en Otto’s zwager Giselbert van het hertogdom Lotharingen. Otto I wist de opstand neer te slaan.

Otto I ontnam hierop Meginhard IV blijvend de grafelijke titel, nam zijn bezittingen in beslag en bepaalde in 941 de grens van zijn rijk langs de Ottogracht. In 944 herstelde Otto I de Meginharden in hun macht, maar niet Meginhard IV zelf. Zijn bezittingen werden verdeeld tussen zijn zoons Everhard en Wichman. Bij zijn overlijden was Meginhard IV ambteloos, hij werd begraven in Eltnon.  Wichman IV van Hamaland (ca. 920 - ca. 974) de zoon van Meginhard werd in 952 graaf van Hammolant, Felue/Felua/Felum/Velum en Nardincklant of Nardingerland en burggraaf van Gent.

Volgens de traditie strekte Hammolant zich uit over beide oevers van de IJssel van iets ten noorden Deventer waarmee Daventria bedoeld zou zijn, naar het zuiden. Met de pagus Felue zou de Veluwe zijn bedoeld en met Nardincklant het Gooi. Wichman werd in 936 voor het eerst genoemd als graaf. In 955 trouwde hij met Liutgard (936 - 964), dochter van Arnulf I van Vlaanderen. Daarbij werd hij burggraaf van Gent en kreeg gebieden ten noorden van de Schelde in leen:

Zoo deed koning Otto in of omstreeks 941. Hy noemde een zekeren Wigman, uit een adelyk huis van Saksen herkomstig tot graef van Gent, stellende onder zyn bestier en gevende hem te leen het land van Overschelde, dat van Waes, de Villae van Hulst, Axel, Bouchaute en Assenede met wat er aen toebehoorde, later bekend onder den naem van de Vier Ambachten, en eindelyk het land van Aelst.[12]

Net als zijn vader Meginhard wordt ook Wichman genoemd in verband met de Ottogracht:

Maer het was niet genoeg een nieuw graefschap gesticht en een nieuwen leenman aengesteld te hebben; de koning moest aen Wigman tevens de middelen geven om zyn leen te verdedigen tegen een magtigen nabuer, die hem noodwendiger wyze gedurig in den weg zou staen. Daer werd in voorzien. Otto deed een kasteel bouwen op den grond van Sint Baefs, zynde het westelyk uiteind van Wigmans heerlykheid: en, daer niet meê te vrede, beval hy eene gracht te delven, die aenvang nam by de nieuwe burgt en zich uitstrekte tot aen Biervliet, alwaer zy haren uitloop had. Deze gracht, aen welke de koning zyn' naem gaf, moest voortaen dienen, niet slechts om het pas opgeregte graefschap af te zonderen van Arnulfs grondgebied, maer tevens om tot scheidslyn te wezen tusschen het Fransche et het Duitsche ryk.[13]

Wichman werd voogd van de Sint-Baafsabdij en in 956 ook voogd voor de goederen die de abdijen van Sint-Omaars bij Daventria bezaten. Dat Wichman de Sint-Baafsabdij herstichtte en burggraaf was van Gent en gebieden ten noorden daarvan in leen had en getrouwd was met een dochter van de graaf van Vlaanderen en zijn vrouw in 961 overleed in Gent, wijst er op dat de gebieden Hammolant, Felue en Nardinclant in Vlaanderen gezocht moeten worden en waarschijnlijk in de ten noorden van Gent gelegen gebieden die hij in leen had en zich vanaf de Sint Baefs naar het oosten uitstrekten.

Daventria?

In dit geografische vraagstuk wordt nu uw aandacht gevraagd voor de identificatie van het hierboven reeds genoemde Daventria omdat deze plaats in de traditionele uitleg, zoals gezegd, gehouden wordt voor Deventer maar gezien de middeleeuwse informatie gezocht moet worden in Vlaanderen.

In 878 treft Karel de Kale beschikkingen over goederen in de haven van Daventria, die toebehoorden aan de St. Bertijnsabdij te Sint-Omaars. Deze beschikkingen gaan terug op onderstaande akte uit 875 waarin keizer Karel de Kale na de dood van abt Hilduinis de abdij Sithiu (het huidige Sint-Omaars) in haar bezittingen bevestigt en waarvan M. Gysseling en A.C.F. Koch een traditionalistische lezing geven:

Ad kamaram fratrum in uestiario adicimus Hrokashem cum VUiskirka et cum appendiciis, et in Gefuualdasthorp ecclesiam et uineas et mansa XII cum hominibus, item in Casello ultra Regnum mansa similiter, in Frekena mansa X cum matre ecclesia et decimam illic ordinatam cum hominibus, in Dauentra portu mans VII; ad portam autem ante fores ecclesię uaccaritiam cum hortulo, et in Loconesse mans VII cum suis appendiciis et mancipiis.[14]

Voor Hrokashem geven M. Gysseling en A.C.F. Koch Roksem bij Ostende en voor VUiskirka Westkerken, eveneens bij Ostende. Voor Loconesse geven zij Longuenesse bij Sint-Omaars. Dat is ongetwijfeld juist, maar dan is het niet meer dan logisch dat de andere plaatsen in diezelfde omgeving moeten worden gezocht. Vervolgens geven Gysseling en Koch echter identificaties die 400 kilometers van Sint-Omaars verwijderd liggen: Voor Gefuualdasthorp (of Gelwaldasthorp) geven ze niet Grosville ten zuidwesten van Atrecht (Frans Arras) dat ook vermeld is als Gesoldustorp, en dat al vanaf het jaar 825 aan de Franse abdij van Corbie behoorde[15], maar Gelsdorf (Rijnprovincie) in Duitsland. Voor Casello geven ze niet Cassel, bekend sinds de Romeinen omdat de Menapiërs daar woonden, op 16 kilometer ten noordoosten van Sint-Omaars, maar Nieder-Kassel (Rijnprovincie). Voor Frekena kiezen ze voor Frechen (Rijnprovincie) in plaats van Ferques bij Desvres dat in 877 in een diploma van Karel de Kale wordt vermeld als Frekena[16] [17]. Voor Dauentra geven zij Deventer.

Dat genoemde plaatsen en dus ook Daventria, in de kustvlakte van Belgisch- of Frans-Vlaanderen moeten worden gezocht is niet alleen vanzelfsprekend maar wordt bevestigd door het feit dat oostelijke grens van West-Francia, het gebied waarin koning Karel de Kale in 878 gerechtigd was beschikkingen te treffen, de Schelde was zoals in de traditie en door Devriese in zijn artikel wordt gesteld. In het gebied ten oosten van de Schelde had hij niets te zeggen. Het gezag over het ten westen van de Schelde gelegen gebied was hem echter toegevallen nadat Lotharius II in 869 zonder wettige kinderen gestorven was en zijn ooms Karel en Lodewijk, respectievelijk de koningen van West- en Oost-Francia, zich in 870 zijn nalatenschap toe-eigenden en onder elkaar verdeelden. Over waar in Vlaanderen Daventria lag zijn de volgende geografische aanwijzingen van belang:

In de Annales Fuldensis staat de volgende aanwijzing:

De Nordmanni hebben de haven, die in de taal van Frisia Taventeri wordt genoemd en waar Liobomus rust, in brand gestoken.[18]

In de Altfridi Vita Sancti Liudgeri:

op de grens van de Franken en de Saksen langs de rivier Isla, [...] En ze bouwden voor hem een ​​oratorium aan de westelijke kant van de bovengenoemde rivier, in een plaats genaamd Huilpa. Hierna bouwden ze ook een kerk voor hem aan de oostelijke oever van dezelfde rivier, in een plaats genaamd Daventre.[19]

In het register van de goederen van de abdij van Lorsch:

Waar de rivier Hisla in de zee uitstroomt[20]

In de Vita Lebuini van Huncbald (van St.-Amand):

Natuurlijk werd de zuivere en schone urn van zijn lichaam, waarin de gelukkige ziel was opgeslagen en die velen als hemels manna had gevoed, met gepaste eer in de grond opgeslagen in de kerk van de haven van Daventria.[21]

Gezien bovenstaande teksten was Daventria een haven die lag op de oostelijke oever van een in zee uitmondende rivier die de grens vormde tussen Frankisch en Saksisch gebied en Isla of Hisla werd genoemd.

Dorestado?

Dorestado was een vanuit zee gemakkelijk te bereiken haven en wordt verschillende malen in samenhang genoemd met de Renus/Schelde, de Mosa/Leie, Andowerpium/Antwerpen, Traiectum/Gent, Witla/Wittewalle, Walacra/Walcheren en de eilanden Westrachia en Ostrachia die voor de kust van Vlaanderen lagen en het Eiland van de Bataven dat zich vanaf de Durme naar het noorden toe uitstrekte. Gezien deze geografische aanwijzingen lijkt het meest waarschijnlijk dat met Dorestad het in Vlaanderen gelegen Brugge werd bedoeld. In 845 wordt Frisia/Vlaanderen na enige jaren van rust, aangevallen door Noormannen, waarbij een groot aantal mensen gedood werd.

De Noormannen plunderden volgens hun gewoonte Ostraciam en Westraciam en staken de vicus Dorestad met twee andere dorpen in brand, voor de ogen van Lotharius, die toen in de palts van Noviomaga was, maar ze niet kon straffen voor hun misdaad. Ze keerden met hun vloot gevuld met een enorme buit van zowel mensen als goederen terug naar hun vaderland.[22]

Opvallend is dat in 863, het jaar waarin de Noormannen Dorestad voor het laatst aanvallen, Vlaanderen voor het eerst vermeld wordt als graafschap als ‘pagus Flandrensis’ dat bestond uit een klein leengoed in de omgeving van Brugge. De eerste bekende graaf van Vlaanderen die deze pagus in leen kreeg van van Karel de Kale (koning van West-Francia waarvan de Schelde de oostelijke grens vormde) was Boudewijn I van Vlaanderen die leefde van 837/40 - 879. De teloorgang van Dorestad valt aldus samen met de opkomst van Brugge. Vanaf halfweg de 9de eeuw duikt de naam Brugge op in documenten en op munten. De allereerste vermelding komt voor in een inventaris van kerkschatten van de Sint-Baafsabdij in Gent uit de periode 851-864 (Breviarum de thesauro Sancti Bavonis). Daarin worden kerkschatten vermeld die uit angst voor de invallen van de Noormannen in veiligheid werden gebracht. De laatste munten van Dorestad werden geslagen in circa 875 en de eerste munten van Brugge tussen van 863 tot 918 toen Boudewijn I en II graven van Vlaanderen waren. Dorestad was rond 719 in Frankische handen gevallen. Kan het niet zo zijn geweest dat Boudewijn, als markering van een nieuwe politieke wind die over Vlaanderen waaide, in 863 de Gallische naam Dorestad veranderde in de Vlaamse naam Brugge. Deze zienswijze wordt versterkt door de naam Wik of Wic waarmee zowel Dorestad als Brugge werden aangeduid.

948: Koning Otto I bevestigt alle schikkingen van zijn voorgangers aan de kerk van Trajectum verleent, ook uit alle zaken in de villa eertijds Dorsteti nu echter Wick genoemd.[23]

De stad Dorestadum die nu Wyck wordt genoemd, bezit 52 kerken.[24]

In een artikel in 1948 (in ‘Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis’) besprak Dhr De Smet in ‘De Brugse WlIC-namen’[25]:

Te Brugge immers, zijn er twee wik-namen blijven bestaan respectievelijk tot in de 14e en in de 16e eeuw, namelijk langs ieder van de twee waterwegen, die achtereenvolgens de verbinding verzekerden van Brugge met de zee…

Aan de Vlamingbrug, op de plaats waar de Lane, een riviertje dat van Varsenare kwam, in de oude Reie liep, lag tot in 1297 een stadspoort, namelijk de Vlamingpoort. Ze wordt voor het eerst vermeld in een akte van Mei 1269 over de kleine tol te Brugge: ‘ter Vlamingporten of ter Ketelwiicporten.Het Ketelwiic lag buiten de Vlamingpoort en wordt vermeld in de Brugse stadsrekening van 1284 onder de achterstand van accijnsen en van cijnspachten uit de jaren 1282-1284.

Een tweede wik-naam lag te Brugge langs de latere verbinding van Brugge met de zee, namelijk langs de Lange Rei. De westelijke boord van deze waterloop droeg deze naam vanaf de Gouden Handbrug tot aan de Annuntiatenstraat…

De Sint-Gilliskerk werd in 1240 gebouwd op een deel van het leen van Philippus Ram, dat gelegen was retro Wic. In 1242 wordt deze kerk vermeld als liggende supra wic. De Sint-Gillisparochie lag op het gebied van de heerlijkheid van Praat. Deze parochie werd rond 1286 door de stad Brugge aangekocht en bij haar grondgebied ingelijfd Een akte van 1267 vermeldt deze parochie « up sint Gielis dorp in Brucghe, dat men heetet Wyc ende Praetsche »

In de Brugse stadsrekeningen van 1334 tot 1380 wordt het wik der Lange Rei zevenmaal vermeld vpt wijc en vp twijc, in verband met de woekeraars die daar woonden. Deze naam vinden we nog terug tot in de eerste helft van de 16e eeuw.

Hypothese

Aan de basis van de middeleeuwse voorstelling dat de Sint-Baafsabdij en de Vier Ambachten in het Oostelijke Rijk lagen en de Ottogracht, een van Gent naar de zee voerende gracht, in 941 de grens werd tussen dit Oostelijke Rijk en West-Francia, ligt ten grondslag dat met Lotharingen een ten westen van de Renus/Schelde gelegen gebied werd bedoeld dat koning Hendrik (de Vogelaar) van Oost-Francia in 925 in zijn macht had gekregen.

Ik denk dat het tijd is om de traditionele locaties te herzien. De locaties die ik voorheen al naar voren schoof en waar ik hoe langer hoe meer achter sta zijn:

   Ducatem Ribuariorum    De langs de Schelde gelegen gebieden die zich uitstrekten tot aan de Leie. i.e.  Francia Rinensis (‘Het langs de Renus gelegen Francia’,    waarbij met Renus / Mosa  waarschijnlijk de Schelde / Leie werd bedoeld).
   Regnum Saxoniae   Een zuidwestelijk van de Schelde gelegen gebied bedoeld.
   Ducatum Frisia usque Mosa     Het aan zee gelegen Frisia/Vlaanderen dat ligt tussen de zee en de Leie (Mosa?).
   Comitatum Batavorum   Een ‘eiland van de Bataven’  dat zich van de Durme uitstrekte tot waar de Oosterschelde eertijds bij Vrouwenpolder uitmondde in de Noordzee.[26]
   Comitatum Testrabenticum   Het rond Deinze gelegen gebied
   Traiectum   Gent
   Daventria   Veurne?
   Dorestado   Het rond Brugge gelegen gebied
   Tiale   Met Tiale werd waarschijnlijk Tielt bedoeld. De naam Tielt zou afgeleid zijn van het Latijnse woord voor linde ‘Tilia’ wat verdacht veel weg heeft van Tiale.[27]
   Hammolant   Hamme

 

Bij deze identificaties past de Ottogracht zijnde een vanuit Gent langs Biervliet naar de Westerschelde lopende gracht waar, zoals door Jan van Thielrode vermeld, Otto I in 941 de grens legde met West-Francia waardoor hij de Sint-Baafsabdij en de Vier Ambachten die links van de Schelde liggen binnen zijn rijk, dat rechts van de Renus/Schelde lag, trok.

 


[1] De autograaf (het door de auteur eigenhandig geschreven origineel van dit werk) wordt bewaard in de UGent centrale Bibliotheek. Transscripties door Heller, J., in: Monumenta Germaniae Historica, Hannover, 1880, deel XXV in de reeks Scriptores, p. 557-584 en Van Lokeren, A., Chronique de Saint-Bavon à Gand par Jean de Thielrode, Gent, 1855, pp. 1-79. De meest volledige referentielijst betreffende dit werk is te vinden in de elektronische databank Narrative Sourees van de www.lib.ugent.be (zoeken op Thielrode ). Deze informatie is overgenomen uit het artikel van Luc Devrieze. ‘Otto imperator de Scaldi fossatum ante pontem Sancti Jacobi usque in mare extensum a nomine suo Ottingam vocavit, quo regni Francorum et imperii orientalium fines determinavit.’
[2] Luc Devrieze (2004) ‘De mythische keizerluke Ottogracht en de zeer reële Burggrafeluke Schipgracht’ in Gendtsche Tydinghen 33, 6 van Heemkundige en Historische Kring Gent.
[3] Continuator Regionis Trevirensis, ‘A.d.i. 925 ‘Heinrico rege coadunatum et constabilitum Lothariense regnum in sua potestate habente, Carolus rex in custodia qua tenebatur obiit; qui fertur vir hebetis esse ingenii et minus aptus utilitatibus regni.’
https://www.dmgh.de/mgh_ss_1/index.htm#page/615/mode/1up
[4] Joep Rozemeyer. (febr. 2004). Artikel ‘Ottogracht’in SEMafoor, 5.1.24
[5] Kristian Helmholt. (febr. 2013). Artikel ‘De heilige Siamese tweeling Lebuinus en Livinius van Saksen’ in SEMafoor, 14.1.12
[6] P.W. Stuij. (2019). Artikel ‘Is de Ottogracht eindelijk gevonden?’, in het tijdschrift Zeeland 28.4, p. 133
https://kzgw.nl/wp-content/uploads/2019/12/Zeeland-28.4.pdf
[7] Annales Bertiniani, auctore prudentio, 837 ‘dedit filio suo Karolo maximam Belgarum partem, id est ad mari per fines Saxoniae usque ad fines Ribuariorum totam Frisiam, et per fines Ribuariorum comitatus Moilla, Ettra, Hammolant, Mosagoa…’
https://www.dmgh.de/mgh_ss_rer_germ_5/#page/13/mode/1up
[8] MGH, Diplomata regum Germaniae ex stirpe Karolinorum, IV, p.9.
[9] Vita s. Fursei, ‘et atque exinde non multus post de Hibernia perecrina litora petens per Britannias in Saxoniam transvectus est, ubi honorifice a Siggiberctho rege susceptus verbo Domini barbarum mitigabat cor.’  https://www.dmgh.de/mgh_ss_rer_merov_4/index.htm#page/436/mode/1up
[10] Boidin, M.P. (2013). De Franken in Nederland? Hoogst onwaarschijnlijk!, p. 49
[11] S. Hieronymus in Vita S. Hilarionis, ‘Inter Saxones, quippe et Alemannos gens eius non tam lata quam valida; apud hystoricos Germania, nunc Francia dicitur.’
https://la.wikisource.org/wiki/Annales_Francici
[12] Jean-Baptiste. (1853). Vaderlandsche historie, deel 4.
http://www.nifterlaca.nl/read.php?3,8391,8400
[13] Ibid.:
[14] Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta. 1. Teksten / ed. M. Gysseling en A.C.F. Koch. – Brussel : Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, 1950.
[15] Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – [Reprint]. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – deel 1, p. 180 : « Grosville. – Du Teuton gross, grand, et villa, métairie. Etait tenu de l’abbaye de Corbie dès l’an 825. » Grosville wordt als Gruosna ook vermeld in een schenking aan de kerk van Traiectum van 23 maart 838, Cartularium van Radboud, nr. 20, zie De oorkonden uit het Cartularium van Radboud. Door de vele ‘Teutoonse’ naamrelicten in de omgeving worden ook de ‘Teutonen’ in hun juiste streek van oorsprong geplaatst.
[16] Dictionnaire topographique, t.a.p., p. 147 : « Ferques, canton de Marquise. – Frekena, 877 (Histor. de Fr., t. VIII, p. 664 D; dipl. Caroli Calvi). – Frekenes, 1112 (privil. comit. Gisn. f° 1 v°). – Fercnes, 1124 (ch. de Saint-Bertin., n° 152) ». Zie ook : Departement du Pas-de-Calais, deel 2, t.a.p., p. 65. Voor de traditionalistische geschiedenis van Frechen in het Rijnland, aangevuld met een paar latere vervalsingen uit Echternach, zie: Frechener Geschichtsverein. Voor Frekena (Ferques/Frechen), zie ook : De ware kijk op…, deel 1, t.a.p., p. 195, tekst 352.
[17] Informatie gevonden op de website van Archief Ijpelaan:
https://www.ijpelaan.nl/Archief/Kennemerland/Vroeg-SintMaarten.html
[18] Annales Fuldensis, Scriptores Monumenta Germaniae Historica, p. 397 onder het jaartal 882: ‘Nordmanni portum, qui Frisiaca lingua Taventeri nominatur, ubi sanctus Liobomus requiescit, plurimis interfectis succenderunt.’  https://www.dmgh.de/de/fs1/object/display/bsb00000868_00432.html
[19] Altfridi Vita Sancti Liudgeri in de MGH SS 2, op p. 408. ‘ut in confinio Francorum atque Saxonum secu fluvium Isla, [...] Fecerunt autem ei oratorium in occidentalie parte praefati fluminis, in loco qui Huilpa vocatur. Posthaec etiam aedificaverunt ei ecclesiam in littore orientali eiusdem fluminis, in loco cuius vocubulum est Daventre’
https://www.dmgh.de/mgh_ss_2/index.htm#page/407/mode/1up
[20] Register der goederen van de abdij van Lorsch (omtrent 814 - 815)
‘ubi Hisla flumen confluit in mare’
https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/salland/kampen/de-ijssel
[21] In de Vita Lebuini van Huncbald (van St.-Amand):’Sane pura ac munda corporis eius urna, in qua reposita ² felix anima, quae multos cibaverat velut caelesti manna, humo reconditur cum debita honorificentia in ecclesia portus Daventriensis.’
https://www.dmgh.de/mgh_ss_2/index.htm#page/364/mode/1up
[22] Annales Xantenses, Rau, Quellen, 346, 348 (846) (*) De vertaling is met behoud van de oorspronkelijke namen overgenomen van Van der Tuuk, L. http://www.gjallar.nl/bronnen_AX.html
‘Consueto Norhtmanni Ostraciam et Westraciam vastaverunt et vicum Dorestatum cum aliis duabus villis incenderunt igni, vidente Lothario imperatore, cum esset in Noviomago castro, sed scelus ulcisci nequiverat. Illi autem ingenti preda hominum atque facultatum oneratis classibus reversi sunt in patriam.’
https://www.dmgh.de/mgh_ss_2/index.htm#page/228/mode/1up
[23] Keizeroorkonden. Oorkonde 98 van Otto I, 948 ‘Dorsteti, nunc autem Wik Nominata’
https://www.dmgh.de/mgh_dd_ko_i__dd_h_i__dd_o_i/#page/181/mode/1up
[24] Matthaeus, A., Johannes de Leydis, (1692). Chronicon Egmundanum seu Annales regalium abbatum Egmundensium. ‘Dorestadum civitatem, quae nunc Wyck dicitur, in qua erant quinquaginta duae ecclesiae Dei.’
[25] J. De Smet. (1948). Artikel: ‘De Brugse WlIC-namen’ in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis 85(1)
https://openjournals.ugent.be/gvg/article/70423/galley/194661/view/
[26] Zie mijn artikel: ‘Patavia naast de Vlaamse kustvlakte?’ Op de website van SEMafoor, d.d. 29-10-2023
https://semafoor.info/nl/Blog/Article/10034
[27] Agentschap en wetenschappelijke instelling van de Vlaamse overheid. Vlaanderen - Onroerend Erfgoed
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/14708
              Reactie geven op artikel



Gast #76C9
18 May
reactie op Yeb Boersma

Ziet er uiterst plausibel uit en kadert je artikel uit 2022 sterker in.

Wat heeft de waarheid toch veel gezichten, misschien moeten we een waarschijnlijkheidsberekening gaan ontwikkelen op basis van aangedragen gegeven.

 


              Reageer